Grammar

Lesson 3.

Vragen stellen en ‘nee’ zeggen: does en do. vragen-stellen

Je gebruikt do in vragen met I, you, we en they (of woorden die ervoor in de plaats komen)

Do I get a new pair of jeans?
Do you like this shop?
Do you/we/they like red T-shirts?

Je gebruikt does in vragen met he, she en it (of woorden die ervoor in de plaats komen) Na Does komt dan het hele werkwoord, dus zonder -s:

Does Kevin/he like jeans?
Does Pam/she wear sunglasses?
Does the T-shirt/it fit?

In zinnen met not geldt hetzelfde. Je krijgt dan don’t of doesn’t + het hele werkwoord.

I/You don’t like red T-shirts.
The girls/ They don’t like polyester.
Kevin/He/Pam/She doesn’t like shorts.
The sales assistant doesn’t see me.

Now practice makes perfect!


Lesson 4.

Gebiedende wijs.gebiedende-wijs

Als je iemand aanwijzingen of instructies geeft, gebruik je de gebiedende wijs. Deze vorm vind je vaak in gebruiksaanwijzingen. Je maakt dan een zin die begint met een heel werkwoord.

Follow the instructions.
Press Enter.
Remove your card.

In iets beleefdere instructies gebruik je ook please:

Please wait here.
Please open  your book on page 6.

Now practice makes perfect!

Gebiedende wijs 1 
Gebiedende wijs 2 


Lesson 5.

A en an: enkelvoud

Je schrijf voor woorden waarvan je de eerste letter uitspreekt als een medeklinker.
Let op: het gaat om de uitspraak van de eerste klank na a!a-or-an

coat
jacket
a new address

a uniform (je zegt: juniform)

Je schrijft an voor woorden waarvan je de eerste letter uitspreekt als een klinker(a,e,i,o):

an address
an orange T-shirt
an hour(je zegt: auer)

Now practice makes perfect!

A or An 1
A or An 2
A or An 3


Lesson 5.

Meer dan één: meervoud.

Engelse woorden in het meervoud eindigen meestal op -s. Die -s moet altijd vast aan het woord worden geschreven:

one sock – two socks
one day – two days
one shoe – two shoes
one polo – two polos

Als een woord op een -s eindigt, schrijf je in het meervoud -es (je zegt /iz/):

one adress – two addressess

Als een woord eindigt op een medeklinker + -y, dan krijg je in het meervoud -ies:

one country – two countries

Let op het meervoud van de volgende kledingstukken:

two pairs  of jeans
two pairs  of sunglassess
Where are my jeans?
Where are my sunglasses

Meervoud 1
Meervoud 2
Meervoud 3
Meervoud 4
Meervoud 5

Now practice makes perfect!

 


 

";