Grammar

Lesson 2.

Aanwijzende voornaamwoorden.

this-that-these-thoseThis/These, gebruik je als je verwijst naar mensen, dieren en dingen die dichtbij zijn.

This gebruik je bij enkelvoud.
These
gebruik je bij meervoud.

That/those, gebruik je als je verwijst naar mensen, dieren en dingen die verder weg zijn.

That gebruik je bij enkelvoud.
Those
gebruik je bij meervoud.

Now practice makes perfect!


Lesson 3.

Present Simple.

Je gebruikt de present simple om te zeggen dat iets altijd, vaak, nooit of zelden gebeurt.

Bij I, you, we, they gebruik je in de present simple het hele werkwoord:present-simple

I help my friends with their homework.
You like shopping a lot.
We often watch soaps.
They love baseball.

Bij he, she, it (en bij woorden die ervoor in de plaats komen) gebruik je het hele werkwoord + -s:

He/Roy always tells funny stories.
She/Sally plays the guitar.
It/The music sounds good.

Werkwoorden eindigend op -y, krijgen -ies bij he, she en it:

He tries to help me.
She never cries.
It/The bird flies 
away.

Now practice and click on the assignments below. Watch out, it is case sensitive(hoofdlettergevoelig)!


Lesson 5.

Vragende voornaamwoorden.vragende-voornaamwoorden

Als je een open vraag wilt stellen, gebruik je who, what, where, when, why of how:

Who is that actress?
What is her name?
Where is he from?
When is your birthday?
Why are you happy?
How old are you?

Now practice and click on the assignments below. Watch out, it is case sensitive(hoofdlettergevoelig)!


 

";